Poëzie en broodjes in Het Oude Theehuys

31 may 2011

Nadat de gasten verwelkomd waren met koffie of thee en taart startte het duo met een drietal eigen liedjes waarin het opgroeien van de jeugd, het thema van de Boekenweek, centraal stond. Daarna waren de gedichten aan de buurt. Zo zong het duo onder andere het welbekende gedicht van de 18e-eeuwse Hiëronymus van Alphen over Jantje die pruimen wou plukken, een tamelijk onbekend gedicht van Annie M. G. Schmidt, gericht aan een meisje dat op het punt staat ‘het land waar grote mensen wonen’ te betreden en een vertaald gedicht van de Amerikaanse schrijver Edgar Allan Poe. Dat laatste ging over een stel verliefde kinderen die het niet vergund was om gelukkig te zijn met elkaar.

Ondertussen had het personeel van Het Oude Theehuys schalen vol verschillende soorten broodjes, met onder andere brandnetelkaas, en borden met verse slagarnituur klaargemaakt. Die kwamen op tafel in de pauze van het programma en vonden uiteraard gretig aftrek. Na de pauze vervolgde Hoed en de Rand het programma in eerste instantie met gedichten van wat jongere schrijvers. In ‘Afstuderen’ van Ingmar Heytze beschrijft de dichter een student die niet alleen tegen zijn zin ouder geworden is, maar ook met lege handen staat: ‘Want het meisje is verdwenen en de beste vriend beledigd…’. In het gedicht ‘Ook wij, Titaantjes’ van Hagar Peeters uit haar bundel Koffers zeelucht ging het over jongeren die geen benul hadden van hoe het liep en die dingen deden ‘omdat je dingen doet’, een vergelijking met de Titaantjes uit het werk van Nescio, waaraan het motto van de Boekenweek 2010 ontleend was.

Gewaagd was het zingen van ‘De ballade van Arie Hop’, een gedicht van John O’Mill waarin een nagelbijtend kind steeds verder gaat en zichzelf opeet. En ondertussen deden de gasten in Het Oude Theehuys zich te goed aan de laatste broodjes! Heftig en ontroerend waren twee gedichten van Remco Campert: de eerste over zijn gevoel toen hij als dertienjarige van zijn moeder te horen kreeg dat zijn vader in het concentratiekamp was omgekomen. Dat gedicht kon Campert pas veertig jaar nadien schrijven. Het andere was het bekende gedicht waarin Campert zich achteraf verbaast over het feit dat in de jaren vlak na de oorlog heel Europa één groot matras was waarop ‘alles zoop en naaide’ en dat hij toen als bleke jongeling in een gedicht ‘de zilverwitheid van een berkenstam’ beschreef.

Het duo sloot het optreden af met een nummer van hun eerste cd uit 1998, waarin ze het publiek opriepen om het kind in jezelf nooit te vergeten. Daarna serveerden de medewerkers van Het Oude Theehuys een huisgemaakte pompoensoep waarmee de literaire brunch werd afgesloten. Dat deze literaire happening door het publiek gewaardeerd werd, bleek uit de roep naar een toegift. Hoed en de Rand gaf daar graag gehoor aan en speelde nog enkele liedjes en gedichten. Zo kon het publiek onder het genot van een drankje nog even nagenieten.