Middenstand anno 1820

14 september 2014
Alkmaar

Door Bob de Mon

"De uitstallingen van tot levensmiddelen dienende waren op de stoepen en op de naar voren geklapte luiken voor de winkels, waar zij blootgesteld werden aan het stof van de vuile straten en de besmetting door gevleugelde insecten, baarde in die tijd niemand ergernis. Microben en bacillen tierden toen nog welig in volstrekte onbekendheid. Zo werd de melk door de boeren in de omgeving uitgevent in open, aan een juk gedragen, houten emmers."

Wandsnotneus

"Aan de avondverlichting werd niet veel gedaan. Hier en daar brandde een spaarzame ballonlamp. In meerdere winkels trof men een kaars op een kandelaar aan. Slagers hadden meestal een tuitlampje, ook wel wandsnotneus genoemd. Alle verlichting was er meer op gericht om de weg in de winkel te vinden, dan er nering bij te bedrijven, want men kon nauwelijks zien in welke staat de koopwaar verkeerde. Kopen deed men bij daglicht. Van menige winkel werden dan ook bij het vallen van de duisternis de luiken gesloten.

Bij de kruideniers en de grutters hing aan het plafond een, al dan niet met fraaie ornamenten versierde, stang met daaraan een grote haak. Aan die haak kwamen verschillende weegschalen te hangen, al naar gelang van de af te wegen grutterswaren. Als grote partijen erwten en bonen in jutten werden verkocht - menige huisvrouw sloeg voor de hele winter peulvruchten in - werden die dichtgebonden met een stuk touw. Vaak hing er bij de toonbank een spoel met bindtouw. Nu was het een jongenspret om 's avonds een meestal onbevolkte winkel in te gaan, het einde van het neerhangende touwtje te grijpen en daarmee over straat te hollen, zover de voorraad touw strekte. Want kattenkwaad is van alle tijden. Toch was de jeugd in 1840 een stuk gezeglijker dan in 1904. Zij had voldoende respect voor de stok van de vier dienders in Alkmaar. En voor diender Jan van de Pol alleen al hadden ze net zoveel respect als voor de drie anderen."

Toehuizen

"Voor de winkels en bij verscheidene toehuizen (particuliere woningen, red.) bevonden zich op beide einden van de stoep houten of met hout bedekte stenen bankjes om op te zitten. Vele hadden ook nog een rugleuning. Deze bankjes en de luifels bevorderden een ongekend buurtschappelijk verkeer. Men genoot na de bezigheden van de dag van de buitenlucht en soms klonk er door de straten een gemeenschappelijk gezongen liedje. Viel er een bui, dan moest deze wel erg hevig zijn wilde men de schuilplaats onder de luifel verlaten om naar binnen te gaan.

Een aantal van deze bankjes diende tevens ter omkasting van een pomp. Die werd op de zaterdag druk gebruikt voor een algemene schrobpartij van de straat. Men kon bij wijze van spreken, op zondag uit de goten eten. Alkmaar was toen alom bekend om de heersende zindelijkheid. Veel meer dan thans in 1904, nu de open goten plaats hebben gemaakt voor wel eens verstopte riolen en voor hun onderhoud heel wat personeel vorderende zinkputten."

Kermistijd

Het aantal winkels was in die tijd aanmerkelijk minder en ook hun sortering was beperkter. Voor de aanschaf van grotere zaken moest naar Amsterdam of Haarlem. Men kon ook wachten tot de kermistijd was aangebroken. Kermis in die dagen had meer het karakter van een jaarmarkt en die bezocht men voor het kopen van messen, kristallen glazen, of tapijten. Want dat alles was in 1840 in Alkmaarse winkels niet te koop.