REGIO |
13 oktober 2011
|
reageer
|
Door
Ollie van Olaz, dichtbij-meeschrijver
HAARLEM - Hij is niet meer. Nico. De oude man met zijn schort, zijn grote laarzen en zijn dito mond. Haarlem is anders geworden sinds Nico er niet meer is. Afgestompt, afwezig, daas, doezelig, duf. Nico hield je alert. Van verre hoorde je hem aankomen. Schreeuwend. Hard.
Terwijl het de gemiddelde winkelmedewerker nu niet eens meer behaagt zich los te rukken van een mobieltje, was dat toen anders. Dan zweette je peentjes. Kwam Nico je zaak binnen, dan zou je klandizie dat weten. Tenminste, als ze niet voortijdig waren gevlucht. Nico deed niet aan rangen en standen. Nico had maar één stand, de hardste.
Om Nico moest je lachen van een afstand. En huiveren van dichtbij. Hij was
up close and very personal. Sprak hij je aan, dan was je het haasje. Dan wist je dat de hele goegemeente op het terras of in de winkel het tafereel met enige plaatsvervangende schaamte gadesloeg. Maar in hoofdzaak was men maar wat blij zelf niet zijn lijdend voorwerp te zijn.
Men vond Nico een beetje gek. Een behoorlijk beetje. Wat de man in zijn leven allemaal voor ogen heeft gekregen, ik weet het niet. Ik hoef het ook niet te weten. Nico deed exact dat wat velen van ons zouden willen doen. Zonder aanzien des persoons een grote mond opzetten. Niet gebukt gaan onder de toorn van de baas, het keurslijf van de middelmaat, het stigma van de maatschappij.
Er zouden alarmsystemen moeten komen die Nico heten. Op de eerste maandag van de maand om 12.00 uur zou De Nico moeten worden getest. Politie, ambulance en brandweer rijden een spoedje met De Nico aan. Spoorwegovergangen, brandalarmen, ringtones, fietsbellen, autoclaxons, ze zouden allemaal het geschreeuw van Nico mogen laten horen. Zodat we niet inkakken, alert blijven. Maar in hoofdzaak om te beseffen dat het de
krenten in de pap zijn die de smaak maken.
Dit artikel is voor het laatst aangepast op: 13 oktober 2011