REGIO |
21 november 2011
|
2
|
Door
MarlijnMarlijn, dichtbij-meeschrijver
UTRECHT - Het was om een uur of drie vanmiddag, dat ik gapend achter mijn bureau zat. Mijn laptop stond volop te loeien. Voor vijf uur moest ik een aantal rapportages afronden. Mijn voet wiebelde op het tikken van de klok en de laatste druppel automatenkoffie verdween in mijn keelgat. Plots viel mijn oog op een ongelezen e-mail in mijn inbox. In plaats van de zakelijke mailtjes die dag in dag uit mijn postvak vullen, zag ik een Arabische naam staan.
Het bleek een mail van mijn toekomstige werkgever in Bethlehem, die ik over ruim een week zal ontmoeten. Hij keek uit naar onze ontmoeting, vroeg zich af hoe ik bij hem terecht ging komen en of ik alles al geregeld had.
Ik beantwoordde hem enthousiast dat ik er klaar voor ben en dat ik popelend uitkijk naar de dag dat ik naar hem toe zal vliegen. Wederom ontving ik een e-mail met wat formele prietpraat en met een vraag waarvan ik grijnzend achterover ging zitten.
Meneer verlangde naar een stuk Hollandse kaas. In de Palestijnse gebieden is dit paradijselijke smaakfestijn nergens te bekennen en tijdens een conferentie in Nederland, waaraan hij ooit participeerde, had hij er enorm van genoten.
In mijn gedachten zag ik hem verrast zijn vingers aflikken, terwijl de omringende Hollanders bitterballen vermaalden tussen hun kiezen. Het slaat nergens op, maar ik word er vrolijk van: een typisch Arabische man, bol en glimlachend, intens gelukkig met een stukje boeren belegen.
Of de kaas de douane zal overtuigen van zijn onschuld, is nog de vraag. Terwijl ik ondertussen weer verder typte aan mijn vrijdagmiddagrapportages, dacht ik aan mijn koffer. Er zit nog niets in, maar er is al wel een plekje gereserveerd.
Marlijn de Jager
Dit artikel is voor het laatst aangepast op: 23 december 2011