Dat ik om de dag mijn rondje om de Haarlemmermeerse polder rij, mag nog altijd een klein wonder heten. Ook mijn ouders wachten nog altijd op het moment dat ze me van het asfalt moeten afrapen. Voor de zekerheid heb ik altijd mijn legitimatie mee. Een ongeluk op mijn tweewieler zit bij mij in een groot hoekje. Fietsen heeft namelijk nooit in mijn bloed gezeten. Beter nog: vroeger kon ik het helemaal niet.
Fietsen was altijd een verschrikking. Ik hield er nooit van. Mijn ouders probeerden het elke middag. Op de parkeerplaats, eerst door me vast te houden. Later door alleen een hand op mijn schouder te leggen. En weer later door me af en toe los te laten. Dat ging niet altijd goed. Ik vond het eng en dus niet leuk. Een flinke valpartij nam mijn angst ook niet weg.
Maandenlang heb ik niet op mijn zadel, maar op mijn bagagedrager gezeten onder het fietsen. Toen mijn vriendjes met een pakje speelkaarten tussen hun spaken de blits maakten met hun eigen Harley, was ik de man. Ik kon namelijk het beste fietsen, zonder op het zadel te zitten. Zij dachten dat ik op een lowrider reed. Ik was vooral doodsbenauwd dat ik zou vallen.
Hoe anders is dat nu. Mijn rondjes zijn minimaal vijftig kilometer en ik ga steeds beter fietsen. Weer of geen weer, wind of geen wind. Het interesseert me weinig meer. Fietsen is wat ik het liefste doe. En dat gaat dus goed. Ik val niet, snap de klikpedalen en versnellingen.
Toch blijft de onkunde er altijd een beetje inzitten. Zo is het verdomde lastig dat ik niet kan fietsen zonder handen. Altijd moet ik er één aan het stuur houden. Waar ik het stuur vastpak, maakt niet uit, als ik het maar in mijn handen heb. Een mankement van het te laat goed kunnen fietsen.
Professioneel wielrenner zal ik nooit worden. Een grote ronde rijden, of een etappe winnen, zit er logischerwijs dus ook niet in. Daar gaat het me ook niet om. Ooit wil ik gewoon kunnen zeggen: ‘Kijk mama, zonder handen!’
Leander Mascini