Ze zeggen dat vooral ouderen het doen: Praten tegen hun huisdier. Zo'n dubbeldik aangekleed, onooglijk mormeltje genaamd Fifi of Froefroe die naast 't vrouwtje loopt te bedelen om nog een cholesterolverhogend bonbonnetje. Sommigen hebben er al zoveel op dat ze zelfs het 'tempo' van de oudevandage niet meer kunnen bijhouden. Ze hebben de reserveplek van de rollator ingenomen.
Eenmaal thuis worden ze vertroeteld, doodgeknuffeld en/of sufgeluld. De (klein-)kinderen van het baasje komen nog maar één keer in het kwartaal zodat oma van lieverlee maar ziel en zaligheid uitstort over de trouwe viervoeter op het vloerkleed.
Oudere mannen daarentegen hebben vaak een vogel. Zo'n Tregste Puienpisser die gedoemd is zijn dagen te slijten in een lucht van urine, dikke sigaren, jonge jenever, aangebrande aardappelen en vieze sokken. Bij gebrek aan beter probeert opa deze felgekleurde thuisfluiter woordjes te leren als 'immers' en 'daarentegen'. De Puienpisser echter kan, door een fysieke beperking achterin het strottenhoofd, de '-r' niet zeggen. Eigenlijk hadden ze hem daarom beter de Chinese Puienpisser kunnen noemen, maar dat terzijde.
Mensen praten met hun huisdieren alsof ze echt een antwoord terug verwachten. Toch is zeggen dat vooral oudere mensen uit eenzaamheid tegen hun dieren praten ietwat kort door de bocht. Iedereen met een huisdier doet het. Zelfs ik praat met de tweede vrouw des huizes. Stiekum, als er niemand in de buurt is. En eerlijk gezegd weet ik ook precies wat ze bedoelt als ze tegen mij terug moppert. Je krijgt een band met je dier en onbewust ga je aanvoelen wat het bedoelt. Ineens begrijp ik hoe dat werkt, de gesprekken die Garfield voert met John Arbuckle. Vergelijk het met babies; die zeggen ook niks en toch weet je als ouder feilloos wat ze bedoelen.
Wat zit de natuur dan toch prachtig in elkaar.
Huisdieren gaan ook steeds meer op hun baasje lijken. Of andersom maar dat maakt voor het effect niet uit. Om die reden hebben ouwe vrouwtjes ook nooit een Mechelse herder in huis maar altijd zo'n lief, klein pluizenbaaltje. En door het gevloek van het ouwe mannetje, die het steeds maar niet lukt die kolerevogel 'immels' of 'daalentegen' te laten zeggen, gaat de Puienpisser als vanzelf schuttingtaal uitslaan.
Wat zegt dat dan over mensen die bijvoorbeeld slangen, spinnen, wandelende takken, salamanders of kameleons als huisdier prefereren? Persoonlijk heb ik daar niks mee. Ze hebben een te lage aaibaarheidsfactor. Deze beesten zijn gemaakt om buiten te leven, in tegenstelling tot onze gedomesticeerde honden- en kattenvriendjes.
Huiselijke knaagdieren zijn wat mij betreft behoorlijk kansloos. Zij leven vooral 's nachts en weigeren zich aan te passen aan ons ritme. Ze stellen nog eisen ook. Ze willen een loopmolentje om fit te blijven maar houden daarmee voornamelijk jóú wakker als jij probeert te slapen.
Met name konijnen vind ik stom. Die zijn alleen maar lui en zullen nooit een behoorlijk gesprek met je beginnen.
Ondankbare honden.
Wanneer is ´t Kerst? Dat zal 'm leren.
Remko Gerssen