Onderstaande speelde zich af in Scheemda.
Begin februari 2012, en koud.
Er lag een laagje sneeuw. Vlak voor de ingang van een supermarkt, waar een broodje-knakworst-kraampje met daarin een chagrijnig meisje stond, sprak de ene heer (met hond) tegen de andere (zonder): “Ik speel de
Last Post, maar ze noemen mij een lastpost.” Uitbundig gelach. En precies op dat moment liep ik daar, op die plek tussen kraampje, heren en ingang. Ik heb niet gehoord: woorden die voorafgingen. Ik heb niet gehoord: woorden die volgden. Ik liep de supermarkt in.
En nu zit ik hier met een vervelende trompetspelende hondenliefhebber in mn hoofd. En ik weet niet wat ik ermee moet. Ja, opschrijven. Een keer, nu, natuurlijk. Maar dan?
Ik zou kunnen vertellen dat ik spijt heb. Niet van het bezoek aan Scheemda, hoor. Maar spijt van het feit dat ik doorliep. Ik had me om moeten draaien. Ik had die meneer aan moeten kijken, ik had hem moeten vragen naar het hoe en waarom. Naar wat voorafgegaan was. Maar dat deed ik niet.
Ik zou nog kunnen vertellen dat ik eraan gedacht heb om een brief naar de Scheemder supermarkt te sturen. Gericht aan alle medewerkers. Sterker nog, ik was al een aardig stukje op weg:
Beste supermarkt medewerkers,
Ik vraag uw aandacht voor het volgende.
Ik ben op zoek naar een hondlievend heerschap dat zich geregeld bij de ingang van uw supermarkt ophoudt. De vraag of hij ook daadwerkelijk voet aan boord zet durf ik niet met een volmondig ja te beantwoorden. Ik heb er gewoonweg de bewijzen niet voor.
Het deuntje/signaaltje dat deze heer op een trompet kan spelen is aardig, maar zijn karakter is helaas minder vriendelijk.
Kent u deze man of herkent u
Nee, nee, dit zou niet helpen. Ik had niks, ik wist niks.
Het zou beter zijn om nog eens een kijkje te gaan nemen bij de ingang van de supermarkt in Scheemda. Wellicht had ik het geluk aan mijn zij.
Afgelopen zaterdag was ik er weer.
De sneeuw was weg.
De lastpost ook.