REGIO |
06 februari 2012
|
reageer
|
Door de dichtbijredactie ()
KATWIJK - Nu de kans op een Elfstedentocht toeneemt, borrelen de mooie herinneringen op aan de tocht van '85. Katwijker Koos Dubbeldam (59) is een van de geluksvogels die het mocht meemaken. Met veel trots toont hij zijn Elfstedenkruisje.
Het was de winter van zijn leven in '85. Het vroor af en toe flink, en als fanatiek schaatser op natuurijs had Dubbeldam al diverse schaatstochten gedaan. De Noordwesthoekrit met ijzige noordoostenwind en de Elfmerentocht (110km). Toen bekend werd dat de Elfstedentocht kwam, stond hij bij de lange rij enthousiastelingen die zich wilden opgeven.
'Ik kende het parcours eigenlijk niet toen ik eraan begon', aldus de Katwijker. Met vriend Bas van Dijk begon hij om 9.00 uur aan de tocht. Het was om het vriespunt en mistig. 'Van goede aankleding had ik geen verstand. Ik had bijvoorbeeld katoenen ondergoed aangetrokken, dat absorbeert vocht en houdt het vast, dus dan word je nat en koud.'
Tijdens de route was het constant een feest met veel enthousiast publiek. 'We werden toegejuicht en toegezongen als helden, en dat gaaf en geweldig gevoel. Een groot volksfeest. Na Franeker werd het donker, je zag bijna niets meer op het ijs. We gingen richting Bartlehiem door een smalle sloot met slecht ijs. Bij de stempelpost werd mijn bril van het hoofd geslagen, en ik zag meteen niets meer. Ergens onder een laag water was hij terecht gekomen en ik heb net zo lang staan voelen totdat ik hem weer vond. Dit stuk was echt afzien, er stond een laag water van 10 tot 15 cm op het ijs. Het liep door mijn schaatsen heen. Ik bedacht me "als ik hier val ben ik slecht af". De vermoeidheid sloeg toe en ik besefte dat ik mentaal hard moest zijn, anders haalde ik het niet. Ik zag meer mensen om mij heen die helemaal stuk zaten in het land. Ik vroeg me echt af: "wat doe ik hier eigenlijk?". Als we dan vroegen hoever het nog was naar Bartlehiem, dan zeiden ze: "nog even volhouden, het is nog maar 5 kilometer", maar achteraf bleek het veel verder te zijn, er kwam geen eind aan.'
Dubbeldam: 'De bruggetjes onderweg waren een verademing. We konden op dat moment niet meer onder de bruggen door omdat het ijs eronder flink was gesmolten. Dus dat werd klunen. Je hoefde dan alleen je handen naar voren te steken en je werd vanzelf verder getrokken en naar de overkant gehesen. Helemaal top van al die Friezen om ons te helpen over elke brug. De ijskwaliteit werd zo slecht dat het comité had besloten om geen mensen meer verder te laten gaan. We merkten dat toen we na Bartlehiem opeens geen mensen meer tegenkwamen. In Dokkum was het weer een fantastisch feest. We hebben daar even gezeten, maar moesten door, omdat we bang waren dat we niet meer door mochten. De Dokkummer Ee was echt moeilijk. Je zag geen hand voor ogen. Het was bewolkt, dus geen maan en sterren, en nergens verlichting. Ook met een zaklamp zag je niets. Soms kreeg je een tak in je gezicht, die als markering voor de wakken in de vaart was gezet. Dan schrok je je rot. We gingen gewoon op goed geluk verder, zo hard als we konden.. Het laatste dat ik zag was een enorme berg schoenen die was achtergebleven bij de start. Thuisgekomen bleek pas hoe bijzonder iedereen het vond dat we die tocht hadden gemaakt. Op mijn werk bij het AZL en waar dan ook, we werden als een held verwelkomd.'